Zoeken

Johan De Crom

Freelance journalist

Als zelfs Unia de godsdienstvrijheid loslaat

lamrabet

(Foto: Rachida Lamrabet, op Schrijverspodium)

We hebben het punt definitief bereikt. Het punt waarop moslims in dit land hun godsdienstvrijheid definitief op hun buik kunnen schrijven. Vandaag heeft Unia afstand genomen van uitspraken van haar medewerkster/juriste Rachida Lamrabet. Die werkt voor een theaterproject van de Brusselse KVS aan een kortfilm waarin ze het recht verdedigt om een boerka te dragen.

Wat dit eigenlijk betekent, is het volgende: het centrum dat geacht wordt gelijke kansen te verdedigen, vindt het nodig officieel afstand te nemen van (het standpunt van) een medewerkster die het opneemt voor gelijke kansen – in de vorm van de vrije beleving van godsdienst. Il faut le faire.

Rachida Lamrabet is zelf ongesluierd, ze is ook geen fan van de boerka. Ze is gewoon juriste. Een juriste die haar eigen voorkeuren weet te scheiden van grondrechten. Een juriste die met vuur een uitspraak van Voltaire verdedigt: ”Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen.” Voor de slechte verstaander is dat in dit geval: het recht om een boerka te dragen en je geloof te uiten. Hoe dwaas je het ook vindt. Alleen dat heeft Lamrabet verdedigd.

Die Voltaire was één van de grote voortrekkers van de Franse Verlichting. En de Verlichting is het boekje waarden en normen waarvan sommige politici hier zo graag een laagdrempelige versie zouden willen maken om in een Nieuwkomersverklaring op te nemen. Die kernwaarde van de Verlichting wordt met de aanval op Lamrabet alweer door diezelfde politici aangevallen, omdat het verdedigen van dat grondrecht niet meer zo lekker voelt. Het gaat namelijk niet meer over de eigen voorkeur of godsdienst, maar over die van een ander.

Van die waarde is vandaag helaas ook afstand genomen door een organisatie die in het leven is geroepen om deze waarde te verdedigen. Zelfs oud-politicus van Agalev/Groen en SP.A Ludo Sannen vindt (in De Standaard) dat blijkbaar niet meer dan normaal. Kan iemand de Rede uit de wachtzaal gaan halen? Neem en passant de godsdienstvrijheid mee.

Lamrabet gaat niet eens juridisch in de fout. Ze heeft niet zoals François Fillon de rechters politiek gekleurd of zoals Theo Francken wereldvreemd genoemd. Ze heeft gewoon haar afkeer van een wet uitgesproken zonder de rechterlijke macht zelf in twijfel te trekken. Ze heeft haar mening geuit binnen een commentaar over een kortfilm en een theaterstuk, in een culturele context.

Voor wat Rachida Lamrabet doet, zou Unia een diepe buiging mogen maken. In tijden van polarisatie recht deze juriste de rug, heeft zij moed om tegen de modderstroom in te roeien en grondrechten (godsdienstvrijheid) te vrijwaren in tijden van hevige emoties (tegen de islam). Dat is toch min of meer wat in de missie en visie van Unia zou kunnen staan. Die modderstroom sleurt vandaag alles mee wat van ver of dichtbij naar moslimextremisme zou kunnen ruiken en een medewerkster van Unia die die stroom een halt toeroept, zou van de Unia-directie een boeketje mogen krijgen.

Lamrabet wijst ons er namelijk op dat niet elke vrouw in een boerka vanuit onderdrukking handelt en dat je geloof extreem belijden een grondrecht is zolang je daar niemand anders last mee berokkent. Zo simpel is het ook. ‘Mensen zijn onschuldig tot het tegendeel bewezen is’, is namelijk nóg een van onze grondbeginselen. Ook dat beginsel zijn we blijkbaar vergeten omdat het ons niet uitkomt. Liever gaan we er van uit dat achter een vrouw met boerka het kwaad schuilt, sinds het boerkaverbod geven we aan dat vooroordeel toe.

Het gelijkekansencentrum heeft vandaag de gelegenheid gemist om met de allure van een groot staatsman eens fors stelling te nemen tegen zoveel platitudes. Om een lijn te trekken en to do what a man’s gotta do. Om in Trump-tijden het verkeerd opgevoede volk nog eens duidelijk te maken wat burgerrechten zijn, hoe ver die mogen gaan en waarom Lamrabet juridisch niet te ver ging. Het had zich een baken van vertrouwen kunnen tonen, een juridische referentie, in tijden dat opkomen voor rechten van minderheden niet bepaald populair is. Het had met één lijn vanishing spray kunnen duidelijk maken dat sommige politici eens dringend op hun eigen helft moeten gaan spelen en rechtsinstanties gerust moeten laten.

Unia heeft dat niet gedaan en heeft zijn vel gered. Het centrum is bezweken onder druk van Demir en Homans en weet op korte termijn te overleven. Tegelijk heeft het vandaag haar nut, haar relevantie op lange termijn ondergraven, ze heeft als een Petrus haar eigen grondbeginselen verloochend. ‘Die moslim daar, nee, die ken ik niet.’

Mensen met een migratieachtergrond vragen zich nu al af of het vandaag nog wel zin heeft om bij Unia een klacht tegen discriminatie in te dienen. Unia heeft namelijk nauwelijks rechtsmiddelen om die discriminatie aan te tonen, ironisch genoeg omdat de partij die de minister en de staatssecretaris van Gelijke Kansen levert, gekant is tegen praktijktesten – nog altijd zowat de enige manier om zwart op wit een bewijs van discriminatie te kunnen leveren.

Het geloof van deze mensen in een (dan nog niet eens politiek onafhankelijke) organisatie die geacht wordt voor hun vrijheid op te komen, heeft er vandaag nog eens zwaar op ingeboet. In deze week hadden ze meer steun verdiend. Deze week namelijk had de politionele macht hen via een racistische whatsapp-groep nog maar eens teleurgesteld, zei een Europese rechter dat ze hun hoofddoek zowat kunnen opbergen op het werk, bleken ze 30 procent minder kans te maken op een jobuitnodiging en werd een filmpje tégen racisme door de minister van Gelijke Kansen aangevallen.

Was het niet om te huilen, je zou er om lachen, maar het is de politieke partij die vandaag een juriste verwijt dat haar standpunten onverenigbaar zouden zijn met haar functie, die precies zelf uitspraken doet die totaal ongepast zijn gezien de rol die ze invult. Theo Francken heeft nog deze week als staatssecretaris voor Asiel en Migratie in verdekte termen gezegd dat het beter is om vluchtelingen in de Middellandse Zee te laten verdrinken dan ze te redden. Zuhal Demir is ook staatssecretaris voor Armoedebestrijding en zei ooit dat arme mensen pas echt in beweging komen als hun geld op geraakt. Deze vertegenwoordigers van het volk schrijven de ene beledigende tweet na de andere over mensen die betrokken partij zijn binnen hun bevoegdheidsgebied, over wie ze verregaande beslissingen moeten nemen die hun leven aangaan. Precies deze politici gaan nu een juriste de les spellen in bevoegdheidsovertredingen. Op 25 mei komt Donald Trump naar ons land en kunnen grote geesten elkaar ontmoeten. Er worden nu al handjes klam.

 

 

Advertenties

Aan de plotse verdedigers van zwartepiet

Beste hyperverdediger van zwartepiet,

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik je niet als een racist zie omdat je zwartepiet verdedigt. Ik gebruik bewust het woord racisme niet, want wat is dat eigenlijk? Ik associeer racisme met bewust neerkijken op een ander – al dan niet geuit. Zwartepiet is ooit ergens opgedoken, wij zijn ermee opgegroeid en we zagen hem als een lollige grapjas of soms een kwaaierik waarvoor je moest oppassen en zeker een heel jaar braaf moest blijven. Het is bijna niemand aangeleerd dat dat een zwarte, onderdanige knecht is. Tot daar dus mijn begrip voor jouw emotionele verdediging van wat plots cultureel erfgoed heet.

Het probleem is dat zwartepiet wel degelijk een onderdanige knecht is. De focus ligt er niet op, het is onze bedoeling niet, maar het beeld komt wel jaar in jaar uit op ons netvlies terecht. Als Bacardi voor haar drank reclame maakt met een wulpse vrouw in schaarse kledij, ben ik ervan overtuigd dat het niet de bewuste bedoeling is van Bacardi om vrouwen als lustobject voor te stellen, maar als die affiche voor mijn deur hangt, denk ik wel permanent aan seks terwijl ik aan drank zou moeten denken. En daar gaat het om, de voortdurende infiltratie van beelden op je geest. Precies omdat het hier om een feest voor kinderen gaat, lijkt het mij gezond en nodig om die link tussen zwart zijn en volgzaamheid voorgoed door te knippen, want kinderen zijn een leeg vat en wat wij er in gieten, is hoe ze er gaan uitzien.

Dus pleit ik minstens voor roetvegen, al vind ik het duidelijker om ook de kleding en de oorbellen weg te nemen. We kunnen toch wel creatief genoeg zijn om met een alternatief te komen? Iemand stelde de smurfen als hulpjes voor, dat zou nog eens geestig zijn.

Ten tweede zijn we in een samenleving waarin we doorgetrokken voor gelijkheid kiezen vrij slecht bezig als we ons gevoel rond zwartepiet gaan opleggen aan anderen. Wij voelen er vrolijkheid en een feestje bij, dus dan moeten Afrikanen het ook maar plezant vinden? Wat voor een samenlevingsmodel is me dat? Als jij je buurman een bijnaam geeft die hij niet kan waarderen, ga jij dan koste wat het kost die bijnaam blijven gebruiken omdat je hem zelf sympathiek bedoeld hebt? Neen, dat doe je niet. Je past je aan zijn wensen aan. Het zou dus fatsoenlijk zijn om rekening te houden met de gevoeligheid van anderen, zeker als die niet compleet uit de lucht is gegrepen (oorbellen, dikke lippen, onze geschiedenis in Congo,…). Als de piet echt door de schoorsteen kwam, dan zou hij trouwens eerder roetvegen hebben dan glimmend tot achter zijn oren zwart zien, niet?

Als je zegt dat alles bij het oude moet blijven omdat “wij” (de blanken bedoel je allicht, niet de allochtoon die hier geboren is – daar begint het al) dat gewoon zijn, dan sta je geen millimeter open voor de gevoeligheid van zwarten en minderheden in dit debat. Dat is niet zo bedoeld omdat jij in jouw opgelopen emotie ‘ons erfgoed’ verdedigt ‘dat wordt aangevallen’, maar dat maakt weinig uit. Door niets te willen veranderen aan hoe alles is, heb jij gezegd dat de ander zich moet aanpassen. Je vindt dat dat ergens mag omdat jij als toerist je schoenen uittrok in een Turkse moskee, maar je vergeet te bedenken dat zwarten hier uit respect ook niet beginnen te zingen in jouw parochiekerk én, vooral, dat zij hier geen toerist zijn maar evengoed hun leven hier mogen uitbouwen als jij, met elke godsdienstvrijheid en vrijemeningsuiting die daarbij hoort. Je stelt het voor alsof zij zich op geen enkel terrein aanpassen (“ze moeten dit nu ook maar eens voor ons doen”), maar in de vele kleine gewoontes die wij in België hebben, moeten zij zich permanent aanpassen. Alles is hier ongeveer anders. Vraag jij aan deze mensen dat zij naast al die kleine aanpassingen (die je au fond al niet erkent) ook nog eens aanvaarden dat zij worden beledigd en vernederd door verwijzingen naar de verschrikkelijkste periode uit hun geschiedenis?

Je stelt Piet en Sinterklaas voor als een feest voor elk kind. Maar op een feestje voor alle kinderen, denk je ook echt aan àlle kinderen. En in een feestje dat iedereen mee organiseert, mag iedereen een inbreng hebben. Wat jij voorstelt, is een feestje waarvan alleen jij de regels oplegt en dat ik plezant moet vinden of moet opkrassen. Gezellig! Ik denk niet dat er veel allochtonen op jouw feestje gaan komen.

Wat mij pas echt irriteert, hyperverdediger, is het verwijt dat ik ‘politiek correct’ schrijf. Het is de opmerking als er geen argumenten meer zijn, volledig hol. Tegen mij zeggen dat ik politiek correct schrijf, is een belediging van mijn intellect. Ik schrijf om niemand te plezieren en om niemand te sparen. Het interesseert me geen ene bal wie mijn waarheid bevoordeelt of benadeelt. Daarin precies zit de consequentie in mijn stukken, die soms rechts en meestal links overkomen, maar gewoon volgen wie ik ben. En ik ben iemand die vindt dat we een film moeten durven maken over Afrikaanse bendes in Brussel, ook als dat geen fraai beeld van de zwarte gemeenschap geeft. Ik ben iemand die vindt dat je in een pv moet kunnen zeggen dat de dief een Marokkaan of Roemeen was als het slachtoffer van een misdrijf dat zo denkt te hebben gezien, omdat het sneller naar de dader kan leiden – een verkeerde arrestatie is dan het risico van het vak. Maar ik ben dus ook iemand die zegt dat het geen goed idee is om vernederende beeldvorming te blijven gebruiken in weerwil van vele mensen hun gevoelens en dat die gevoelens een plaats moeten hebben. Aan die drie standpunten is onderling voor mij niets inconsequent.

Het ergst van al vind ik de stelling dat jij kan begrijpen dat een pleidooi voor roetpieten mensen racistisch maakt. Daarmee zeg je dat het normaal is dat we mensen gaan haten wanneer ze, enkel in woord en debat, opkomen voor hun mening en gevoelens. Dat is net hetzelfde als tegen je dochter zeggen dat ze op de dag van haar verkrachting een te kort rokje droeg, zegt schrijfster Maartje Luif terecht. Een paar uur geleden had de leuze ‘Relschoppen op een kinderfeest is erger dan racisme’ 5000 likes. Mensen die tegen de gevestigde waarden ingaan, zijn dus relschoppers?

Dat laatste heb jij natuurlijk niet gezegd, maar in je petitie voor het behoud van alles wat je al kende doe je zo goed als hetzelfde. Je zegt: ‘jij mag hier zijn en je bent oké, maar je moet alles precies ondergaan zoals wij het je zeggen, tenzij we misschien zelf vinden dat je stilaan wat meer rechten krijgt’. Maar waag het dus niet daar zomaar zelf voor op te komen.

Ik hoop dat je, voorbij je defensieve overreactie, deze tekst echt in je opneemt en inziet wat jouw houding bij anderen teweegbrengt. Vermenigvuldig dat gevoel met vele duizenden keren en je komt in de buurt van hoe mensen met een andere afkomst of huidskleur zich bij dit alles moeten voelen.

We vinden zwartepiet doodnormaal en juist daarom moeten we hem afschaffen

zwartepiet“Een kind ziet helemaal niets verkeerd aan zwartepiet, dus waarom zouden we hem dan afschaffen?” Het is heel erg gek en verontrustend dat dit een argument is van de verdedigers van zwartepiet. Het is namelijk de reden bij uitstek waarom we die hele zwartepiet uit de stoomboot moeten smijten. Dat een kind beelden krijgt van een zwarte slaaf die door schoorstenen kruipt in dienst van een grote blanke man zonder daar iets kwaads in te zien – logisch, het gaat om een kind -, is precies de reden waarom we echt komaf moeten maken met deze traditie. Een kind is volop bezig zijn beelden op de wereld te vormen. Kiezen wij er dan echt doelbewust voor om in dat beeldenpakket er eentje op te nemen van een zwarte – ach vooruit dan, een ‘neger’ – die het hulpje is van de brave, lieve, blanke heilige vader?  Is dat echt iets waarvan wij Belgen willen zeggen: ‘ja, daar kies ik voor’? Waar wij trots op zijn omdat het tot onze collectieve geschiedenis behoort? Zeggen wij echt: ‘ja, wij zijn Congo gaan leegroven’, en ‘ja, wij hebben er onder majesteitelijk gezag handen afgehakt van arme negertjes’, maar ‘neen, al wie zwart is, moet daar niet over beginnen zagen’, want ‘waar is da feesje, hier da feesje?’ en ‘ik heb recht op wat ik gewoon ben’? Gaan we echt in het contract met nieuwkomers laten opnemen dat ze moeten begrijpen dat wij jaarlijks een kinderfeestje houden met verwijzingen naar hun rol als slaaf? Omdat wij zelf in 1982 chocoladen ventjes kregen? En snoep uit een zak van een zwarte man met oorbellen? Is dat wat we in fierheid uitdragen? Het kolonialisme vormt de ‘zwartste’ bladzijde – of mag ik ‘meest duistere’ zeggen – uit onze Belgische geschiedenis, maar wij staan dus op en rechten de rug als iemand dat van ons wil afpakken. En wij zijn fier dat we op deze waarden en normen geen duimbreed hebben toegegeven. Bravo.

Ik ben zelf een blanke man van bijna veertig en pas de jongste jaren ben ik, dankzij het debat, eindelijk gaan stilstaan bij die zwartepietfiguur. Ik had er nooit iets mis in gezien en juist dat is verontrustend. Juist dat is het hele probleem. Al van voor de bokshandschoenen van het Vlaams Blok ontplof ik van woede bij racistische uitspraken, bij discriminatie, bij alles wat mensen uitsluit en op basis van vooroordelen in een hokje plaatst. Maar dat we met veel ‘tamtam’ (sta even stil bij de negatieve connotatie die we verbinden aan een Afrikaans muziekinstrument – u ooit opgevallen?) elk jaar een traditie omarmen die dat hokjesdenken bij kinderen installeert, dat lag al sinds de jaren tachtig buiten mijn blikveld. Meer dan dertig jaar heb ik dat normaal gevonden en juist dat is het probleem. Dat we gewoon niet beseffen welke beelden we binnenkrijgen. Beelden die onze kijk op anderen mee bepalen.

En dan dat andere argument: “Je mag het feest van kinderen niet afnemen.” Chantage via het kind. Nu niet langer binnen het huwelijk, maar in het publieke forum, met camera’s erop. En met niemand die daartegen inbrengt: ‘durf nog eens één keer de liefde voor mijn kind misbruiken voor uw eigen behoeftekes en ik zal u…’. Neen, het passeert allemaal geruisloos. Ik zal u zeggen wat een kind wil. Dat is alvast niet uw eigen nostalgie naar zwartepieten die u in de zak staken in de feestzaal van het parochiecentrum. Kinderen willen spelen en leut maken en hebben lak aan de nostalgische buien van hun ouwe pa. Ze willen FIFA spelen en hebben geen ene boodschap aan een ploegske Rode Duivels dat dertig jaar geleden in Mexico twee matchkes meer kon winnen dan verwacht. Uw tradities, uw radio Nostalgie, laten onze kinderen koud. En als je dan toch per se op je strepen staat, trek ze dan ook door. Pak hun Mindcraft af, gooi de Twister open. Beter is het evenwel je niet aan te stellen. Van al je principes krijg je een stijve nek. Stel je open, treed uit de verkramping, laat nu eindelijk los en een nieuwe wind binnenwaaien. Je dagen zijn geteld, je doden zijn begraven.

Strafpunten in het stemhokje

Politici van allerlei slag hebben de jongste maand uitspraken gedaan waarmee ze groepen mensen beledigen, zonder hun beledigingen met cijfers hard te maken. Dat leidt tot applaus bij de achterban, maar tot woede bij een meerderheid. Het wordt tijd dat we in het stemhokje strafpunten kunnen uitdelen.

Is het een ziekte van onze tijd? Is het onder invloed van Facebook en Twitter dat beleidsmakers zomaar hun gal spuien, boude uitspraken formuleren, niet door feiten gestut? Brussels burgemeester Yvan Majeur (PS) stelt dat ‘de Vlamingen zijn stad komen bevuilen’, in de vorm van hooligans. Kris Peeters (CD&V) zegt als minister van Werk dat we ‘boven onze stand leven’. Jan Jambon (N-VA) beweert dat ‘een significant deel van de moslims’ danste na de aanslagen van 22 maart. Obligaat volgt op zo’n uitspraak dat het niet zo bedoeld was, dat we niemand wilden kwetsen, om er in dezelfde ademstoot/rochel aan toe te voegen dat we er toch geen letter van terugnemen. Afzwakken om politiek te overleven, bevestigen om de achterban te pleasen. Vooral de manier waarop minister Jambon zich in bochten wringt, is aandoenlijk. Het ging ‘niet om honderden moslims’ maar het was wel degelijk ‘significant’. Uhu?…

Een burgemeester of minister mag ‘dingen benoemen’, ja. Hij mag mensen ook wakker schudden als onderdeel van zijn beleid, hij mag een kat een kat noemen. Als hij al gelooft dat een kat onder dwang haar streken afleert – nog niet vaak gezien. Hoe dan ook moet wat een kat lijkt eerst onder de statoscoop.

Het gemak, de decadente nonchalance waarmee cijfers en bewijzen links worden gelaten, waarmee beledigingen gratuit worden geuit, is beleidsmakers onwaardig, is politiek totaal niet correct. De verbolgenheid over de demarche van Jambon was groot, bij oppositie én meerderheid, vooral omdat zijn uitspraak stigmatiserend is. Het was evenwel Emir Kir, burgemeester van Sint-Joost-ten-Node, die de vinger het pijnlijkst op de wonde legde. In vier woorden: “U bent minister, he.” Zo is het. Een minister baseert zijn beleid op analyse, niet op buikgevoel. Om de begroting op een rij te krijgen, schakelt hij het Federaal Planbureau in, het volk verontwaardigen, mag kennelijk op lossere grond.

Peeters, Majeur en Jambon weten donders goed dat een ruim deel van de bevolking hun uitspraken afkeurt. Het hele punt is dat dat er niet toe doet. Met grove uitspraken jaag je misschien zeventig procent van de kiezers tegen je in het harnas, maar je drukt ook dertig procent dichter tegen de borst en dat is ruim genoeg om verkozen te geraken en minister te worden. Niet lang nadat uit een peiling van La Libre en RTBF blijkt dat N-VA zes procent van zijn kiezers verliest, voornamelijk aan het Vlaams Belang, weet Jambon die zes procent weer lekker tegen zich aan te trekken. Al de rest doet er niet toe. Al wie nooit voor hem koos en dat nooit zal doen, is quantité négligeable.

Dat hele achterbanbeleid is zorgwekkend. Wie denkt nog in het algemeen belang, wie zoekt nog naar oplossingen die een maximale groep dienen zonder anderen te schaden? Vandaag kijkt de zeventig procent met lede ogen toe hoe de dertig procent wordt bediend. We staan machteloos.

Het wordt de hoogste tijd dat die zeventig procent instrumenten in handen krijgt om die antipolitiek af te straffen. Een mogelijke oplossing is de ‘antistem’ of ‘tegenstem’. Dat zou inhouden dat je in het stemhokje moet kiezen: een stem voor een persoon of een partij of een stem tegen een persoon of een partij, die dan een stem wordt afgetrokken. Vaak weten burgers niet meer voor wie ze moeten kiezen, maar weten ze heel scherp waar ze absoluut tegen zijn (niet die naïevelingen!, niet die fanatiekelingen!, niet die racisten!,…). Geef hen de kans om te zeggen: dit is een no passaràn.

Ik wil niet stigmatiseren, het voorbeeld is lukraak, maar geef burgers de kans om vandaag Jan Jambon duidelijk te maken dat ze de samenleving die hij voorstaat niet onderschrijven. Zorg dat ze dat niet meer onzichtbaar hoeven te doen, via stemmen voor alle mogelijke andere politici en partijen. In verspreide slagorde bereik je niets.

Een negatieve stem kan dan een stem worden voor een positieve politiek. Een stem voor politici die zich niet permanent op de borst kloppen voor het ‘lef’ om dingen te benoemen ‘die iedereen vindt, maar niemand durft zeggen’ (dat zullen we dan nog wel eens zien). Een stem voor politici die het collectief belang omarmen.

Het saldo aan stemmen minus tegenstemmen wordt dan een graadmeter voor het politiek niveau. Als we dan ook eens de stemplicht afschaffen, krijgt de politiek eindelijk een spiegel voor. Misschien kweken we dan weer staatsmannen in plaats van macho’s. Of komen vrouwen aan de macht.

Behandeld als grote mensen

vrijheid

Het is ik-weet-niet-hoe-lang geleden. Maar vandaag, 7 april 2016, had ik nog eens het gevoel in dit land als grote mens te worden behandeld, als volwassen vent die zijn eigen keuzes kan maken. Minister van Werk Kris Peeters (CD&V) komt met een uitgewerkt voorstel om de 38-urenweek af te schaffen en om overuren cash uit te laten betalen. Stel je voor dat we voortaan nu eens echt tot 45 uur per week kunnen werken (waarom zelfs niet meer?) zonder dat een vakbond ons handje komt vasthouden – of moeten we zeggen: ‘komt strelen’? – en in onze plaats weet te orakelen dat dat niet goed is voor ons welzijn en we een burn-out gaan krijgen. Beeld je in dat ons geen Daens-complex meer wordt aangepraat omdat we toevallig goesting hebben om voor onze boeiende job een tandje bij te steken, om een collega en chef gelukkig te maken en klanten tevreden te stellen. Dat eens simpelweg aanvaard wordt dat wij kicken op eens goed doorvlammen en uren kloppen en dat wij ons met plezier laten ringeloren door die sluwe snoodaards van het patronaat. Met onze knieën op een meetlat slagersvloeren schrobben, onder de dreiging van nare lederen zweepjes. En de chauffage die te laag staat. Kom maar af, spank me! And show me the money.

Met dat geld neem ik op kalme weken een citytrip en drink in the late night bar een cocktail op de gezondheid van alle stervelingen die zogezegd hun rechten niet hebben kunnen verdedigen en aan wie ik mijn midweekvakantie te danken heb. Hoe mooi zou dat zijn? Eindelijk gerechtigheid voor de zelfdenkende, mondige burger, eindelijk tot wasdom verwelkomd. Avondlijk thuiswerk dan toch eens gewoon wettelijk verzekerd voor het geval ik met mijn oog op mijn balpen in slaap val.  Eindelijk bevrijd van schavuiten die hun fans tellen en zonder te checken poneren de rechten te verdedigen van ook al wie niét als angsthaas lidgeld betaalt voor een club die ons tegen wie-weet-ooit-eens-welk ontslag of verlies van verlof op Pinkstermaandag wil beschermen. Wat zou dat goed voelen!

Mijn verbeelding was nog maar net geprikkeld door de heer Peeters, of ik werd zot van glorie door een voorstel van Jong Groen. Die frisse knapen willen mij de kans bieden om een paar goede vrienden gelijk te stellen met erfgenamen in de tweede graad (mijn broer of zus dus). Ronduit fantastisch is dat. Naar hun plan kunnen een vriend en ik dan erfgenaam van elkaar worden en verlof krijgen voor elkaars huwelijksfeest of begrafenis. Doe maar eens heel zot en tel de voorstellen van Kris Peeters en Jong Groen op. Dat zou betekenen dat wij zeggenschap krijgen over werk en vrienden, over wat we de hele dag uitvreten dus en over wie we graag zien. Dat kan toch bijna niet de bedoeling zijn van politiek? Ik die dacht dat ons uitspreken over een brug over ’t Scheld of over een vrijhandelsakkoord met Oekraïne het maximaal haalbare was. Neen, hoor.

Het voorstel van de jonggroenen komt er allicht nooit in de bonusvorm waarin ze het zelf voorstellen en dat zou ook niet goed zijn. Nog wat meer verlof kunnen onze bedrijven niet aan, me dunkt, ‘de concurrentiekloof met de ons omringende landen’, je weet wel. Maar gooi dit prachtige kind niet met het badwater weg en laat mensen kiezen: familie of vrienden. Een oude broer die je talent en speelgoedautootjes achttien jaar wist te kraken, op diens begrafenis hoef je niet te zijn. Het geld van je vader die je even lang misbruikte, hoef je niet te hebben. Geef mensen munitie om zich daarvan te verlossen, zorg dat ze hun verlofdagen en erfenissen zelf moeten kiezen – ruil een familielid voor een vriend – en doe hen loswrikken van de ketens die hen al een volwassen leven lang omknellen. Beloon de vrienden die hun waarden delen, die je met wodka en woorden door je donkerste uren hebben gesleurd, daar in dat putje van de nacht. Het voorstel van Jong Groen kan helend zijn voor hele generaties.

Het sprankelende idee van deze vrije denkers leidde mijn gedachten ook af naar de begrafenis, jaren geleden, van een vriend. Pas een week nadat het uit was met zijn liefje, kwam hij tragisch om het leven. Dat meisje had jarenlang de diepste intimiteit met hem gedeeld, maar liep nu alleen in de begrafenisstoet, ver achter de broers en zussen die elkaar stutten en zonder een arm om haar heen. Want het was toch ‘uit’, dus viel de jongedame ook uit de familie, die altijd voorop loopt. Je reinste eenzaamheid, opgedrongen door kaders en rituelen.

Ironisch genoeg zullen Kris Peeters en Jong Groen nooit elkaars ontketenende plannen verdedigen. Ik zie de groenen niet meteen een voorstel steunen dat werkgevers ademruimte geeft en vakbonden enigszins kan verontrusten. Daarvoor schurken ze te dicht tegen de socialisten aan en hebben ze nog altijd niet door dat ze een modern, hoogopgeleid en kritisch kiespubliek dienen dat beslist voor zichzelf weet te zorgen, vooral voor de staat naar Brussel treint en alles wat staking heet fors beu is. Evenmin zie ik de christendemocraten plots gewillig de hoeksteen van de samenleving onderuit halen en een dikke maat of een ex-lief waarmee je nog knuffelt, met je moeder gelijkstellen.

Toch dienen beide partijen met deze voorstellen dezelfde burgers. Zij die willen gaan waar ze willen en staan waarvoor ze staan. Zij die bewuste keuzes maken, wars van tradities. Zij die naar eigen wens hun loopbaan willen vormgeven. Zij die geen paperassen willen invullen voor elk klein recht. Zij die van job zouden veranderen als hun fiets gratis op de trein kon. Zij die wel geld zien zitten in plaats van een bedrijfswagen. Geef ons politici die alles in het werk stellen om ons vrijheid in plaats van veiligheid te garanderen. Die alles geven om ons voor altijd gerust te laten.

 

Harde meesters helen de wonden

black

In Image en Black tonen regisseurs Bilall Fallah en Adil El Arbi de rauwe realiteit van Marokkaanse en Afrikaanse straatbendes in Brussel. Ze doen dat met schoonheid en empathie en brengen inzicht op twee vlakken. Eén: wie zich door de samenleving uitgesloten voelt, trekt zich terug in de eigen, verharde groep. Twee: die groep is soms vuil en lelijk en je raakt er heel moeilijk uit.

Stel: je zoon komt thuis en vertelt bang dat hij van zijn klasgenoten een pak rammel heeft gekregen. Ga je dan de feiten verdoezelen en zeggen dat ‘het best nog wel meevalt’? Neen, je neemt de feiten ernstig. In het beste geval probeert u wel het verhaal van die jongens te kennen en te begrijpen.

Eerlijkheid redt

Dat is exact wat Fallah en El Arbi doen. Ze tonen hoe door mechanismen van stigmatisering en uitsluiting – door de media, door de politie, door elkaar en door blanke Vlamingen – Marokkaanse en Afrikaanse jongeren hun hoop verliezen, op zichzelf en hun groep terugplooien en in de criminaliteit belanden. Ze wekken inzicht in daderschap en van daaruit empathie. Maar vooral tonen ze zonder enige verbloeming waartoe die daders (in casu: van andere origine) in staat zijn: ‘flamand’ als scheldwoord gebruiken, een pedoseksueel op klaarlichte dag in elkaar timmeren, in groep een agent te lijf gaan (Image), in groep ook jonge meisjes verkrachten (Black).

Ethnic profiling of etnische stigmatisering zou het Minderhedenforum dat noemen, om daarmee ook het probleem onder de mat te vegen. Dat wordt natuurlijk lastiger als die regisseurs zelf Marokkaanse Belgen zijn. Zij gaan met de werkelijkheid alvast minder verkrampt om. Langs hun harde aanpak bewijzen zij een grote dienst aan de Marokkaanse en Afrikaanse gemeenschap. Wie eerlijk is, mag ook zijn hele verhaal doen. Dan wordt er wel geluisterd.

Verstikking

Sommige kruisvaarders tegen racisme noemden Black stigmatiserend voor (vooral) de Afrikaanse en (ook) Marokkaanse gemeenschap. ‘Elke Marokkaan of Afrikaan wordt weer voorgesteld als een dief of verkrachter.’ Die veralgemening laat ik voor hun eigen rekening, sommige mensen zoeken met een bus olie in de hand naar een vuurtje.

Door Black als stigmatiserend weg te zetten, doen zij hoofdpersonages Mavela (Martha Canga Antonio) en Marwan (Aboubakr Bensaihi) en al wie zich met hen verbonden voelt, geweld aan. Zij zijn ook Congolese of Marokkaan, maar vooral slachtoffer van hun eigen omgeving. Marwan wil werk zoeken, zijn broer verslijt hem daarvoor als ‘flamand’. Mavela zoekt bescherming, veiligheid, erkenning, maar betaalt daarvoor de hoogste prijs. Ze moet vriendinnen verraden, zich aan mannen onderwerpen. Groepsdruk bestaat ook in kleinere vorm: in Image schaamt de stoere Nabil zich al te sterk om gitaar te durven spelen en een liedje te zingen.

Die nuance is de werkelijkheid die sommigen niet willen zien. Die sommigen verdedigen heel terecht de vele vrouwen en mannen die in vrijheid een hoofddoek dragen, cola boven alcohol verkiezen, zich kuis en monogaam gedragen. Zij vergeten het wel op te nemen voor de Marwans en Mavela’s, voor mannen en vrouwen die van onder hun hoofddoek willen losbreken, die alcohol willen drinken zonder zich bekeken te voelen, die in alle veiligheid hun niet-moslimlief aan hun ouders willen presenteren, die VRT-journalist willen worden zonder als verrader te worden versleten. Die noch in de ogen van de flamands, noch in die van de moslims ooit goed kunnen doen. Fallah en El Arbi hebben zich alvast van die beklemmingen verlost, keren zich nog even om en richten er hun camera’s op. Alleen in vrijheid tiert de artiest welig.

Schoonheid

Fallah en El Arbi kunnen zichzelf nog verbeteren. Ze leggen veel nuance in hun Marokkaanse en Afrikaanse hoofdrolspelers, maar maken in Image een cliché van de ‘sensatiepers’, al zit de bottomline van hun analyse wel juist. In Black is het scenario dan weer al te klassiek en voorspelbaar. Het Romeo & Juliette-verhaal wordt in de slotscène toch wel iets te apocalyptisch uitgewerkt.

Toch storen die euvels niet. In Image is de verpakking wat krakkemikkig, maar zit de boodschap juist en is het verhaal onderhoudend.

Ook in Black is het rasterwerk dus wat eenvoudig, maar wat zich daar binnenin afspeelt, is van een unieke schoonheid. Twee pubers die alleen te klein en te bang zijn om tegen de stroom in te gaan, die liefhebben in een kwade wereld. Ze spreken niet af in een bruine kroeg met sjieke kringloopsofa’s in de Dansaertstraat, maar in de Quick van het Noordstation. Ze drinken langs rietjes, maken grapjes en lachen breed, ze swipen op hun smartphone en hebben het over dingen waarover jongeren het hebben, over une casquette die al dan niet de la classe is. Hun tred, hun bewegingen, hun begroetingen, het zit allemaal juist. Er zijn Marokkaanse regisseurs nodig om dit zo naturel neer te leggen.

Adil El Arbi en Bilall Fallah leggen in hun eigen gemeenschap de vinger op de wonde, sleuren de blanke Vlaming met zijn neus door zijn vooroordelen en tonen hun talent. Politiek links en rechts horen hen dringend als spin doctors binnen te halen.

Het drama van het miskend genie

imitation groot

The Imitation Game vertelt het verhaal van wiskundig brein Alan Turing (Benedict Cumberbatch). Hij ontwierp een machine die de geheime codetaal van nazi-Duitsland wist te kraken, waardoor de Tweede Wereldoorlog sneller tot een einde kwam. Turing werd miskend in zijn genialiteit en later chemisch gecastreerd voor zijn homoseksuele geaardheid. Hij pleegde zelfmoord in 1954. Regisseur Morten Tyldum brengt eerherstel.

Het levensverhaal van Alan Turing spreekt zo tot de verbeelding, dat een film over dit genie of deze dramatische figuur haast niet mis kan lopen. En Tyldum stelt ook niet teleur, zijn scenarist Graham Moore al helemaal niet. The Imitation Game moet het niet hebben van zijn originaliteit, maar is een heldere vertelling over een zeer complex probleem. Over Duitse geheime codes en een machine die die te tracht te kraken, komen we net genoeg en nooit te veel te weten. Uw fobie voor wiskunde steekt hooguit in achterkamers de kop op. Tyldum en Moore brengen ook de kostschooljaren van Turing én zijn naoorlogse dagen in beeld, en toch kan de kijker makkelijk volgen.

Deze film speelt op maandag 2 november 2015 in De Roma in Borgerhout. Lees meer op Film in de Buurt.

Een kostbaar kleinood

le-meraviglie groot

Een Etruskische imkerfamilie werkt in Le Meraviglie volgens een traditioneel en arbeidsintensief recept. Ze tracht het hoofd boven water te houden. Een reality-tvshow over authentieke productieprocessen kan geld in het laatje brengen, maar krijgt geen kans bij de pater familias, die elke moderniteit vervloekt. Dochterlief ziet in de show een reddingsboei naar een jong en normaal leven.    

Alice Rohrwacher maakt een film die zelf van alle poespas en moderniteit is ontdaan. Ze gaat weinig tot niet op zoek naar fotogenieke shots, houdt het even droog en kaal als het onderwerp waarop ze haar camera richt. We zien een armtierig gezin met vier dochters, in een betonnen huis zonder deuren en zonder privacy om in op te groeien. Le Meraviglie staat kwetsbaar naakt en is even kostbaar als bijen in een honingraat. Een kleinood om tegen de borst te drukken.

De film draait rond de gespannen relatie tussen de ingeweken Duitser Wolfgang (prima vertolkt door onze eigenste Belg Sam Louwyck) en zijn oudste dochter Gelsomina (Maria Alexandra Lungu). Zij moet zowel de imkerij mee runnen als haar drie jonge zussen commanderen en helpen opgroeien. Haar vader redt het niet zonder haar hulp en in plaats van dolletjes een meisje te zijn, staat Gelsomina paraat voor elk labeur. Het stemt je treurig te zien hoe haar vriendinnetjes zich opmaken voor een feest.

Lees verder op Film in de Buurt. Deze film speelt vanavond, zaterdag 24 oktober 2015, in De Roma in Borgerhout.

Met ergens het verdriet

wenders

In Every Thing Will Be Fine hijst een schrijver zijn leven moeizaam op de schouder. Hij heeft een kleine jongen dodelijk aangereden. Een grootmeester als Wim Wenders bedient zich niet van dramatische scènes om te bewijzen dat dit sporen laat, er rolt geeneens een traan. Hij legt enkel een droef deken neer: vanaf nu gaan de dingen moeilijker en voor de rest doen we voort.

Wenders ontvouwt het verhaal als een complex gerecht dat zich in lagen prijsgeeft. Hij bedient zich van sobere beelden om treurnis en verwerking, doorzetting en grote eenzaamheid als permanente kleefband over zijn film te leggen. Een enig huis in een sneeuwlandschap, een stel lege ogen aan een schrijverstafel, een moeder die verhuist van de plek waar ze haar kind verloor. De zon op het gelaat van een zestienjarige jongen die moed vat. Vroegere geliefden die elkaar angstig aanraken, aan het aanrecht, op een weekdag.

Every Thing Will Be Fine is functioneel traag. De verteltijd lijkt haast met de vertelde tijd samen te vallen, de cruciale gebeurtenissen zijn met poëtisch geduld neergelegd, de kijker kruipt mee onder de huid en rilt. De scène rond het ongeval heeft een spanningsboog en een schoonheid die ik niet meer zag sinds de openingsscène van Inglorious Basterds van Quentin Tarantino. Ook hij gebruikte het desolate landschap en de traagheid als nagelbijters.

Thematisch sluit Wenders aan bij zijn vroegere werk. In Paris, Texas verteert een man de scheiding van zijn vrouw, in Der amerikanische Freund is kanker de boosdoener, Every Thing Will Be Fine draait om een dodelijk ongeval. Maar telkens biedt de protagonist op eigen, koppige wijze zijn moeilijkheden het hoofd. Liever door te zwijgen dan te praten, liever langs doorzetting dan langs analyse. Tot wanhoop van zijn geliefden en met alle relationele afbreuk die erbij hoort.

Every Thing Will Be Fine is schijnbaar simpel en er gebeurt niet onnoemelijk veel. De grote klasse schuilt ‘em ook in ontweken evidenties, in het schrappen van overbodige informatie of drama. We zien geen kind onder een auto liggen, geen bloed, geen traan. Een schrijver schrijft boeken, we weten niet waarover. Hij krijgt prijzen, maar speech en receptie worden ons bespaard. Hij begint geen relatie met de moeder van het kind dat hij heeft overreden. Die met liefde verwarde compassie is een pad dat immers al is platgetreden sinds pakweg de (uitstekende) films van Susanne Bier (Open Hearts, Things We Lost in the Fire en Brothers), 21 Grams van Alejandro González Iñárritu en Monster’s Ball van Mark Forster. Charlotte Gainsbourg blijft dan maar een keertje onbemind. Een keuze van Wenders die mijn hoogste respect geniet. Ik zou het niet kunnen.

Regie: Wim Wenders, Met: James Franco, Charlotte Gainsbourg, Rachel McAdams, Marie-Josée Croze, Julia Sarah Stone, Robert Naylor

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑