Felice Mazzù, het kind van de berekening

Copyright: Photo News

Het was eind vorig voetbalseizoen toen Felice Mazzù, destijds trainer van Union, zijn dure woorden sprak: “Ik ben verliefd op deze club”. Mijn geloof in de liefde kreeg een knak toen hij enkele maanden later voor een verstandshuwelijk met RSC Anderlecht koos. Niet zozeer omdat die recordkampioen jarenlang elke speler wegkocht die op andere Belgische velden enigszins de kop boven het maaiveld stak. Zoals Marc Degryse in 1989. Ik was twaalf, ik was nog een kind.  

Mij stak vooral Mazzù’s ontrouw aan zichzelf. Zijn liefde voor Union, kan ik u vertellen, was echt. Deze club is de bruid die elke man voor zichzelf had gewild – het wordt op huwelijksfeesten schouder aan schouder bekend op het mannentoilet, plastron in de nek. Voor Union val je als een blok. Loop je van bovenaf door het Parc Duden, doemt plots tussen beuken en eiken zijn felverlicht stadion op, als een godsverschijning. Je wandelt door natte bladeren over een bospad, doet je stinkende best de herfst te waarderen, en dan zie je dàt. Je weet: beukennootjes zullen nooit meer hetzelfde kraken.

Aan de andere kant van het stadion de Ukkelse straten en hun stijlvolle cafés. Een club waar Vlaamse supporters het Franse clublied meezingen uit volle borst, waar niemand maalt om een taalverschil, waar geen onvertogen woord over een tegenstander valt. Een club die zich nergens tegen afzet, die niet teert op leedvermaak maar op vermaak, waar je niet springt om geen Kielse rat te zijn, maar omdat je uit de bol gaat met vrienden en een pint. Waar we zingen omdat we samen zijn, om wàt we samen zijn. Waar we zingen voor een stad, niet voor een wijk. Bruxelles, ma ville, je t’aime, je porte dans mon coeur ton emblème, tes couleurs. In het Parc Duden wordt niet met kastanjes naar eikels gegooid. Geen Deurne Noord, geen ‘laat hem liggen, hij is dood’.

Felice Mazzù wilde zijn kans wagen bij een club met renommee en dat mag, maar een carrière bouw je niet om jezelf heen. Waar het hart niet pompt, stroomt het bloed niet en dat legt de benen lam. Mazzù kreeg dit weekend dan ook zijn ontslag. Zijn lichtblauwe ogen schijnen in het Astridpark als parels voor de zwijnen, in zijn glimlach wordt niet geloofd. Zijn troepen beginnen er niet aan als hun shoes niet worden geveterd, wie loopt er warm voor een club die uit verveling door een miljardair werd gekocht? Wie maakt zijn truitje nog nat als hij zijn status al kocht bij het tekenen van zijn contract? Het vuur van Mazzù raakt niet aan ijdele schenen gelegd.

Een man van wie het spelplezier afdruipt, gaat stilletjes dood in zo’n club en dat had hij kunnen weten. Toch koos hij ervoor uit zichzelf te treden om hogerop te kunnen en hij is daarmee een kind van zijn tijd, het kind van de berekening. Als trainer in een wereld die alleen nog om voetbal draait, is het net iets moeilijker om bij jezelf te blijven. Dan zit verliefd en gelukkig zijn je voornamelijk in de weg.

De trainers en spelers die zich Guardiola en Benzema wanen, zie ik als scheidsrechter op amateurniveau elke week op het veld. Mijn foutief beoordeeld buitenspel fnuikt hun doorbraak naar het hoger niveau, hadden ze hierop gescoord, dan lag het fortuin voor het grijpen. Ze vinden dat ik de kak uit mijn ogen moet wrijven, een bril moet kopen, als clown meer schmink moet smeren (punten voor het mooie beeld!) of mijn moeder moet neuken, ze gaan me kapot maken als ze me ooit op straat tegenkomen.

Wat Mazzù beschaafd overkomt, doorlopen zij gemarginaliseerd: ook zij willen meer, ze willen roem en raken de pedalen kwijt. Wat wil je als ze Kylian Mbappé van PSG 630 miljoen euro op drie jaar zien opstrijken? Wat wil je als je zaterdag, zondag, dinsdag, woensdag en donderdag voetbal kan kijken op tv en luisteren op de radio? Als spelers van negen jaar bij VK Simikos (zoek zelf maar op hoe weinig mijn club voorstelt) worden weggeplukt om drie keer per week te trainen bij Hoogstraten VV? Als een zelfverklaarde analist van Voetbal Vlaanderen met een iPad in de hand de match van de U17 van K.F.C. Sint-Job komt volgen en me met afgestreken gezicht vraagt: ‘ik kom kijken of ze volgend jaar een stapje hoger kunnen zetten in hun professionalisering, stoort het als ik mee op de bank zit?’. Ik kon me nog net in de plooi houden.

Het lijkt Lorin Parys, CEO van de Pro League, menens als hij zegt het verbaal en fysiek geweld in de stadions en in het amateurvoetbal drastisch te willen aanpakken. Hij wil onder meer inzetten op zware straffen bij wangedrag van supporters en dat is goed, maar de beste tip die ik kan geven, is: haal het belang van voetbal naar beneden. Ga met VRT en VTM samenzitten en smeek om minder uren voetbal op radio en tv. En als dat niet lukt: zet in Extra Time ook een scheidsrechter, zodat die aan een paar gastheren kan uitleggen wat de spelregels zijn.

Ik mis Jan Ceulemans. In 1980 was hij met een delegatie van zijn Club Brugge neergestreken in een hotel nabij absolute wereldclub AC Milan, waar hij zijn contract ‘s anderendaags zou ondertekenen. Hij haakte af met de historische woorden: “Ik ga dat niet doen. Ik ga heimwee hebben naar Lier.” Jan, bel eens met Felice.   

Advertentie

“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België”

“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en kopen er een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk?”

Vooruit-voorzitter Conner Rousseau* laat in een nieuw gesprek met HUMO een ander geluid klinken.

HUMO: Waarom nam u contact op met onze redactie? Hebt u spijt van uw uitspraken over Molenbeek?

Conner Rousseau: “Neen, ik vind het belangrijk om de wereld simplistisch voor te stellen, zodat de mensen zich weer kunnen identificeren met de politiek. Als je gaat nuanceren, ben je weer boven de hoofden van de mensen bezig. Dat is echt hautain! Zo wil ik niet aan politiek doen.”

U bracht wel een hele hetze op gang.

“Dat was wel bewust, hoor, ik ben thuis in marketing en communicatie. (lacht) Kijk, de tijd dat we ons als socialisten moesten schamen omdat we opportunistisch dachten, daar kap ik mee. Ik wist dat ik genoeg had aan een scherpe uitspraak die jullie dan in de titel zouden zetten om te scoren, ook al had die verder niets te maken met de kern van het interview, namelijk dat ik hard mijn best doe en moeilijk nog rust ken want zo populair en daardoor hoofdpijn heb en dat ik monitor was op jeugdkampen en iemand met een moeilijke jeugd persoonlijk ken. Vervolgens heb ik dan op de radio gezegd dat ik snapte dat jullie die titel kozen, zodat ik sympathiek overkwam en het toch leek alsof ik er allemaal zelf niet aan kon doen. Zo makkelijk is dat allemaal, maar jullie hadden dat precies niet door, kan dat?” (lacht uit)

Euh…

“En ja, de rest is makkelijk, he. Al die wokers beginnen te flippen omdat ik zeg dat ik me in Molenbeek niet in België voel en gaan dat artikel in hun colère massaal delen, al hebben ze het niet gelezen. Slimme journalisten willen vervolgens bewijzen dat ze open minded zijn door die uitspraak te nuanceren en mijn moed te benoemen en plots lig ik met een extreme uitspraak ‘in het midden van het politieke bed’. Moeilijk is dat niet, he?”

Toch wil je je nu richten tot de Molenbekenaars?

“Ja. Als door mijn uitspraak sommige inwoners van Molenbeek zich gekwetst zouden voelen, wil ik me hiervoor excuseren. Voor mij is die bladzijde omgedraaid, ik begin vanaf vandaag weer met een schone lei. Ik noemde met Molenbeek ook maar een lukrake gemeente om integratieproblemen te benoemen, ik had het evengoed over Brasschaat kunnen hebben.”

Brasschaat?…

“Je moet de dingen durven benoemen. Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en betalen er met hun mastercard aan de automatische kassa – zonder met iemand te praten – voor een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Ze verduisteren hun fortuinen op de Kaaimaneilanden, maar als hun horloge van 35.000 euro wordt gestolen, twitteren ze dat stelen NOOIT – in drukletters – valt goed te praten. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk? Hier stelt zich toch echt een integratieprobleem.”

Hoe kan de regering dit integratieprobleem aanpakken?

“Wij pleiten als socialisten voor een goede sociale mix, we willen de getto’s doorbreken. Natuurlijk kunnen deze minderheidsgroepen nog steeds naar hun hockey- of poloclub, maar misschien moeten wij als samenleving dergelijke mono-culturele clubs niet langer subsidiëren. Als we niets doen, dan worden deze mensen heimelijk uitgelachen als ze op voetbalclubs met hun flinterdun Ralph Lauren-truitje op een geruit hemd komen aanzetten. We moeten deze mensen tegen zichzelf beschermen.”

“Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

“Als socialisten pleiten we ook voor een burberrysjaalverbod achter het stadsloket. Beeld je in dat je als modale burger een conflict met je huisbaas wil aankaarten en je stoot op iemand met zo’n sjaal, die mogelijk nog nooit in z’n leven een appartementje heeft moeten huren. Gaat die jouw dossier eerlijk behandelen? Wij willen luisteren naar de modale Belg die zich hierbij niet veilig voelt. Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

Volgens cijfers van Stad Antwerpen werken er maar drie Brasschatenaren met burberrysjaal aan een stadsloket.

“Het gaat ons om de symbolische waarde. Wij willen als partij een signaal geven: ‘bange burger, wij hebben jou gehoord’.”

Hoe kan je dit integratieprobleem bij de kiem aanpakken?

“Door in het onderwijs in te grijpen. Weet je dat er in Brasschaat leerkrachten zijn die uitsluitend in het Frans lesgeven omdat hun Nederlands te gedistingeerd is en hun ‘r’ blijft doorrollen? Zo sluit je kleine kinderen al bij voorbaat uit van de middenklasse en het gewone volk. Dit kan echt niet.”

“Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen.”

“Als progressieve partij willen we ook dat kinderen vanaf een half jaar verplicht naar de crèche gaan. Je moet ze snel genoeg uit hun isolement halen, zodat ze leren dat andere kindjes met de tram en de fiets worden gebracht en dat de nanny die hen komt halen misschien gewoon hun eigen moeder is. Ze moeten zich de gewone omgangsvormen zo snel mogelijk eigen maken. Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen. Dan draaien ze op hun 18 muizen door de blender en voeren ze visolie aan jongeren die toevallig niet tot het groepje behoren dat ze hun hele leven hebben gekend. We moeten die keten dringend doorbreken om er als samenleving op vooruit te gaan.”  

Dank je wel voor dit verrijkend interview, mijnheer Rousseau.

“Graag gedaan. Wil je er wel nog bij schrijven dat ik dus iemand in armoede persoonlijk ken en dat ik monitor ben geweest op zomerkampen voor moeilijke jongeren? Bedankt!”

*Dit interview is fictief. Gelijkenis met bestaande figuren berust geheel op toeval.

Beste Theo Francken,

(Foto: Redactie24)

U bent een klier, maar er is geen paniek: ook voor mensen met uw opvattingen zijn er plekken op deze wereld waar zij zich thuis kunnen voelen. Een begrafenisonderneming lijkt me wat voor u. Keurig voor het lijk de grond in zakt, hebt u familieleden op de prijs van de mahoniehouten kist gewezen. U hebt het verdriet niet gevoeld en de herdenking verpest, maar tenminste kwam niemand voor financiële verrassingen te staan. Daarvoor staat u garant en zo iemand hebben we nodig. U bent de niet geliefde boekhouder van de over-kop-gaande start-up, de beul aan het schavot. De man die over de cijfers waakt in het holst van de nacht. Iemand moet het doen en dat wil u dan wel zijn. Dat aura van verantwoordelijkheid laat u zich graag aanmeten, als het kilblauwe jasje dat u past.

Met verstomming en een koude rilling sta ik te kijken hoe u zich na één week afschuwelijke oorlog druk maakt over het leefloon dat Oekraïense vluchtelingen in dit land zullen krijgen. ‘Wie gaat dat betalen?’, is dus echt het eerste waaraan u denkt. Het antwoord wil ik wel geven, alvorens een paar miljoenen Belgen het u in de oren schreeuwen: wij. Wij, omdat wij vinden dat het moet. Omdat mensen aan het oostfront voor ons de kastanjes uit het vuur halen, de vrijheid en de westerse waarden waarover u zo graag orakelt met hun leven verdedigen. In de studio van De Zevende Dag kronkelt u op uw stoel, rollen uw ogen van onmacht, u kunt onze domheid niet aan, u kermt van de pijn, omdat wij het grote plaatje, het budgettaire drama niet zien dat op ons af dreigt te komen.

Ik stel u hierbij gerust en hoop dat u kalm wordt: wij zien wat het kost. Wij hebben gewoon collectief en zonder een seconde aarzeling beslist dat dat niets uitmaakt. En ik zit wel degelijk te rekenen, namelijk hoe ik – zonder ze af te breken – mijn hele kleerkast door het raam in een container kan steken, hoe ik de stenen van mijn koer uitbreek en ze bij die kraamkliniek in Marioepol laat leveren. Er is echt niets anders dat ons nu nog iets kan schelen.

Neem mijn jobadvies aan, mijnheer Francken, en blijf weg uit het parlementair halfrond, u bent een humanitair affront. Bespaar me dat u nog eens met de ogen rolt, of ik kom ze met mijn duimen diep in uw schedel rammen. U denkt van zichzelf breed en nuchter te denken, in u ontwaakt de rede ‘boven de emotie van het moment’ en dat is er weinigen gegeven. Allicht moeten we vervuld zijn van uw goedheid uw verstand met ons te willen delen, zonder u reden we blind de ravijn in.

Toch zijn wij het, en wij alleen, die onze ogen zouden mogen laten rollen van uw uitgekraamde onzin, van uw uit betonrot opgetrokken stellingen. U bestaat het te vinden dat de vluchtelingen in dit land enkel ‘bed, bad, brood en begeleiding’ zouden mogen krijgen. Dat we ze ‘onderhouden’ dus en begeleiden naar werk, maar ze niet moeten denken financieel iets op te mogen bouwen zolang ze die job niet vinden. Neen, dan hebben ze geen recht op een toekomst. Dat is een comapatiënt aan de beademing laten, dat is je oma droppen in een Vlaams woonzorgcentrum. Ze mogen in leven blijven, maar u hoedt zich er woordelijk voor dat ze ‘geluk zoeken’, dat is een brug te ver.

U bestaat het te denken dat mannen uit Charkov 1000km naar Lviv rijden, hun gezin er achterlaten om het misschien nooit meer te zien en in hun mogelijk laatste woorden stamelen: “Ga naar België, vrouwlief, want daar krijg je een leefloon, en als je er een job vindt en ze toch weer kwijtraakt, krijg je levenslang dopgeld.” Hoe ontheemd bent u, hoe vervuild zijn uw gedachten?